Over dit artikel

Michel Geertse
Versie voor print & pdf

Juridische kaders bij scholenbouw

Kies een thema
Printvriendelijke versiePDF version

Een overzicht van de juridische kaders rondom de verbouw van basisscholen en kindcentra. Welke ontwikkelingen zijn er bij relevante wet- en regelgeving (2015)? Een korte beschouwing. 

De juridische kaders bij scholen(ver)bouw. Knelpunten en oplossingsrichtingen (2015)

Scholenverbouw is complexe materie. Schoolbesturen klagen sinds jaar en dag over ontoereikende normvergoedingen, onwerkbare bouwvoorschriften en stroperige procedures. Dat is ook in Den Haag doorgedrongen. In onze nieuwe participatiemaatschappij leunt de overheid op burgers en het maatschappelijk middenveld om haar beleidsdoelen te realiseren. Eigen initiatief moet gekoesterd worden, niet gesmoord worden. In het ruimtelijk domein vertaalt dit zich in een verschuiving van ‘rigide’ voorschriften en procedures naar ‘minimale’ regels die de maatschappij, dus ook verbouwende scholen, in staat stellen overheidsdoelen te realiseren. In juridisch jargon: het juridisch kader verschuift van een grammaticale naar een teleologische interpretatie. Ook bij de financiële kaders bespeuren schoolbesturen de invloed van de participatiemaatschappij. Vanuit overheidswege zal er geen extra geld beschikbaar gesteld worden. Wel zien we ook hier versoepeling, bundeling van geldstromen (denk aan overheveling buitenonderhoud) en het stimuleren van alternatieve financiering (schatkistbankieren, doordecentralisatie, promoten pps/geïntegreerde contracten en dergelijke) die schoolbesturen in staat moeten stellen zelf initiatief te nemen. De participatiemaatschappij draait niet alleen om eigen initiatief, maar ook om eigen verantwoordelijkheid. Zich bewust onttrekken van verantwoordelijkheden (denk aan de btw-besparende scholenconstructies) wordt aan banden gelegd.

Bouwbesluit

Alle verbouwingen van het schoolgebouw moeten voldoen aan het vigerende Bouwbesluit. Dat leverde onder het oude Bouwbesluit uit 2003 de nodige problemen op. Verbouwingen moesten in principe voldoen aan de nieuwbouweisen. Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk was om hieraan te voldoen, kon voor een aantal aspecten bij de gemeente een ontheffing aangevraagd worden. Doorgaans raadpleegde B&W de lokale brandweer alvorens een ontheffing te verlenen. Gevolg: onwerkbare voorschriften (nieuwbouwniveau, dan wel aanvullende voorwaarden bij ontheffing), grote verschillen tussen gemeenten en onzekerheid voor het schoolbestuur (Veldman, To 2013).

Het Bouwbesluit 2012 introduceert eisen voor verbouw. Voor de meeste onderdelen die tijdens een verbouwing aangepast worden geldt het prestatieniveau ‘rechtens verkregen niveau’, waarbij de voorschriften voor bestaande bouw als ondergrens en de voorschriften voor nieuwbouw als bovengrens gelden. Praktisch gezien betekent dit dat de situatie na de bouwkundige ingreep niet slechter mag zijn dan voor de verbouw. Voor een aantal aspecten (bij voorbeeld isolatie) geeft het Bouwbesluit specifieke prestatie-eisen voor verbouw. Bij herbestemming zijn in eerste aanleg de eisen voor bestaande bouw van de nieuwe functie (bijv. onderwijs, kinderopvang) van toepassing. Als hier niet aan wordt voldaan of indien men om andere redenen aanpassingen wil aanbrengen, dan zijn voor de veranderingen de eisen voor verbouw van toepassing (Ministerie BZK 2012b; Stadig, Minderhoud 2014). Schoolbesturen kunnen nu voor hun verbouwopgave zelf het verplichte minimumprestatieniveau vaststellen in het Bouwbesluit en zijn niet meer afhankelijk van gemeentelijke willekeur. De gemeente kan in beginsel geen aanvullende eisen formuleren bovenop de prestatie-eisen van het Bouwbesluit (Hoop 2014). Over het algemeen zijn de prestatie-eisen voor verbouw in het Bouwbesluit 2012 laag. De voorgeschreven prestatieniveaus corresponderen lang niet altijd met het gewenste comfort. 

Wanneer het niet mogelijk is om aan het voorgeschreven prestatieniveau te voldoen biedt het Bouwbesluit 2012 de mogelijkheid om een gelijkwaardig alternatief aan te bieden (Ministerie BZK 2012a). De problematiek om gelijkwaardigheid (bewijslast en kosten) aan een voorgeschreven Nen-norm te voldoen is een bekend gegeven (Ashcroft, Van Rijsewijk, Mans 2014). Maar we moeten ons niet blindstaren op technische normen. Het Bouwbesluit 2012 introduceert een teleologische toets, dat wil zeggen dat het gelijkwaardige alternatief het doel moet beantwoorden dat het Bouwbesluit voor ogen heeft. Gelijkwaardige alternatieven worden ‘Bouwbesluit-breed’ getoetst; een alternatief om aan bijvoorbeeld een isolatienorm te voldoen, moet uiteraard ook voldoen aan eisen ten aanzien van onder andere brandveiligheid en constructie. Het is in beginsel aan de initiatiefnemer (het schoolbestuur) om de gelijkwaardigheid van een aangeboden alternatief aan te tonen, maar het bevoegd gezag zal bij afwijzing van het alternatief deze afwijzing wel inhoudelijk moeten motiveren (Huijzer 2013a). 

Ook al voldoet de verbouwing aan het Bouwbesluit, toch kunnen belanghebbenden bezwaar maken tegen de verbouwing indien zij overlast ondervinden. Gedacht kan worden aan een uitbouw die daglichttoetreding bij de buren belemmert of een ingrijpende verbouwing waarbij de routing van het schoolgebouw wijzigt en achteruitgang hoofdingang wordt, hetgeen nadelige gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van bedrijven die achter het schoolgebouw gesitueerd zijn. Bij vergunningplichtige verbouwingen kunnen zij bezwaar aantekenen tegen de verleende omgevingsvergunning. Bij vergunningvrije verbouwingen kunnen gedupeerde belanghebbenden de verbouwing aanvechten via het burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek. Het is derhalve zaak om bij verbouwprojecten tijdig mogelijke nadelige consequenties voor de omgeving in ogenschouw te nemen en tijdig de dialoog aan te gaan met relevante belanghebbenden om frustrerende bezwaarprocedures te voorkomen. 

Monumentenwet en Welstandtoets

Soms heeft de te verbouwen school een monumentstatus en is derhalve een monumentenvergunning vereist voor de verbouwing. In de praktijk manifesteert zich nog altijd een spanningsveld tussen instandhouding van monumentale waarden enerzijds en eigentijdse gebruiksvoorwaarden en financiering anderzijds (Coenen et al. 2008). De lumpsumregeling houdt geen rekening met de financiële consequenties van onderhoud aan en de exploitatie van een monument. Daardoor ontstaat het risico dat middelen die voor onderwijs zijn bedoeld naar de exploitatie en instandhouding van het monument gaan. Gezien de verscheidenheid van monumentale gebouwen, laten de aanvullende kosten zich lastig normeren. Naast de kosten van exploitatie en onderhoud is er het probleem van de financiering van restauraties, verbouwingen en aanpassingen. Er is hierin geen duidelijk beleid herkenbaar. 

Er is behoefte aan een eenduidige regeling voor de toekenning van middelen, waarbij restauratie en aanpassing gezien worden als tenminste gelijkwaardig aan nieuwbouw. De regeling van BRIM (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten)-subsidie speelt hierin slechts een beperkte rol. De bedragen die via de standaard BRIM-regeling toegekend kunnen worden staan niet in verhouding tot de extra administratie en werkelijke meerkosten. Ook zijn er nog de achterstandsregelingen en overige bijzondere monumentenregelingen. Deze zijn mogelijk onvoldoende bekend, en ook hier is er geen zekerheid dat de gevraagde financiën uiteindelijk toegekend zullen worden en/of in verhouding staan tot de kosten en eisen. Een separate aanvraagprocedure, waarbij een duidelijke plantechnische en financiële onderbouwing in een vroeg stadium worden ingediend, zou uitkomst kunnen bieden. Dit geeft duidelijkheid aan de initiatiefnemer en bovendien wordt een goede toets op noodzakelijkheid en billijkheid van de investering in relatie tot de ingreep mogelijk. 

Veel gemeenten hebben een welstandscommissie, stadsbouwmeester of kwaliteitsteam die de uiterlijke verschijningsvorm van een (ver)bouwproject toetsen aan de geldende gemeentelijke richtlijnen voor ruimtelijke kwaliteit (welstandsnota) wanneer een omgevingsvergunning aangevraagd wordt (Van Assen, Van Campen 2014). Als de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwwerk verandert door de verbouwing is het derhalve verstandig om het welstandsbeleid tijdig te bestuderen en in de overwegingen mee te nemen.

Bestemmingsplan

In geval van een transformatie van bestaand vastgoed tot schoolgebouw is er sprake van een functiewijziging die niet altijd verenigbaar is met het vigerende bestemmingsplan. Met de invoering van de permanent Crisis en Herstelwet en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) en Besluit Omgevingsrecht (BOR) (recente aanpassingen zijn op 1 november 2014 in werking getreden) zijn de mogelijkheden om hetzij tijdelijk, hetzij voor bestaande gebouwen permanent van het bestemmingsplan af te wijken sterk verbeterd (Stadig, Minderhoud 2014). Voor beide gevallen geldt voortaan als hoofdregel de reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.2 Wabo, waar voorheen vrijwel altijd de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen moest worden. Dat verkort de procedure. Het bevoegd gezag moet in beginsel binnen acht weken op de aanvraag voor een omgevingsvergunning beslissen (de wet biedt de mogelijkheid om de beslistermijn met maximaal zes weken te verlengen). Is er dan nog niet besloten, dan is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend. In de tweede plaats is bij de reguliere procedure geen ruimtelijke onderbouwing nodig, waardoor voor veel herbestemmingen ook de meeste formele onderzoekverplichtingen komen te vervallen. De gemeente mag volstaan met een toets aan ‘een goede ruimtelijke ordening’, hetgeen niet wegneemt dat het besluit deugdelijk moet zijn gemotiveerd, zorgvuldig voorbereid en in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ten aanzien van de belangenafweging die in dit kader nodig is komt aan B&W in beginsel een ruime mate van beleidsvrijheid toe. 

Arbowet

Het verbouwende schoolbestuur krijgt ook te maken met de Arbeidsomstandighedenwet. De wettelijke Arbo voorschriften beschrijven slechts hoofdlijnen, maar zijn nader uitgewerkt in de Arbo-catalogus PO. De opties om bij een verbouwing van een schoolgebouw aan alle Arbo voorschriften te voldoen zijn beperkt en kostbaar (Redactie 2012; Berdowski, Vennekens 2008). Volgens de Algemene Onderwijsbond geeft de catalogus normen om te helpen, niet om scholen te frustreren. Afwijken moet kunnen, mits goed gemotiveerd, ook naar de Arbeidsinspectie, en met instemming van de medezeggenschapsraad. De VO-raad sluit zich hierbij aan. De Arbonormen moeten teleologisch geïnterpreteerd worden. Parallellen met het gelijkwaardig alternatief van het Bouwbesluit 2012 zijn duidelijk te bespeuren. Het gaat er niet om dat aan strikte technische eisen voldaan wordt, maar dat het doel dat deze normen beogen, een veilige en gezonde werk- en leeromgeving, bereikt wordt, desnoods op een andere manier. Een bijzonder aandachtspunt is veiligheid van leerlingen en personeel wanneer het schoolgebouw in gebruik blijft tijdens de verbouwing. De school heeft een zorgplicht.

Financiering

Met betrekking tot de (ver)bouw van scholenbouw manifesteren zich in principe twee problemen. Enerzijds worden de normvergoedingen die van overheidswege verstrekt worden onvoldoende geacht om de scholenbouwopgave die er ligt te bekostigen. Hier moet wel de kanttekening geplaatst worden dat in de huidige markt prijzen onder druk staan, waardoor er meer ruimte is. Tevens zoeken initiatiefnemers mogelijkheden om bij te plussen: de zogeheten ‘potjescultuur’. Anderzijds is met de decentralisatie van het onderwijshuisvestingbeleid een strikte scheiding van geldstromen ontstaan. Schoolbesturen ontvangen van het rijk een lumpsumvergoeding voor beheer en exploitatie van het schoolgebouw. Sinds januari 2015 zijn zij verantwoordelijk voor groot onderhoud en aanpassingen. Geldstromen voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en constructiefouten lopen via de gemeente. Er is een strikte scheiding tussen vergoeding van initiële kosten en beheerskosten bij scholen(ver)bouwprojecten. Scholen hebben relatief weinig ruimte om extra te investeren aan het begin van het (ver)bouwproject, terwijl zo'n extra investering zich dubbel en dwars kan terugverdienen tijdens de beheerfase (Arkesteijn, Steijns, De Vries 2009).

Schoolbesturen willen verbouwkosten graag verhalen uit de geldstromen via de gemeente. Anders moet de verbouwing uit de reserves en/of een gedeelte van de lumpsum betaald worden, geld dat het schoolbestuur liever in onderwijs investeert. De Wet Primair Onderwijs bepaalt limitatief de voorzieningen die het schoolbestuur bij de gemeente kan aanvragen. Na de rampen in Volendam (cafébrand, 2001) en Enschede (vuurwerkramp 2000) zijn de brandveiligheidsvoorschriften stevig opgekrikt. Dat betekende ook voor scholen een aanzienlijke kostenpost, die het schoolbestuur blijkens de jurisprudentie maar uit de lumpsum moest bekostigen. Verplichte aanpassingen op grond van de aangescherpte Arbowet zouden blijkens de jurisprudentie wel voor bekostiging van gemeentewege in aanmerking moeten komen (Peters 2003a en 2003b). Met de doorgevoerde wetswijziging (januari 2015) waarbij het buitenonderhoud naar de scholen doorgedecentraliseerd wordt, is naar verwachting meer investeringsruimte voor schoolbesturen ontstaan. 

Een groot probleem is dat een structurele aanpassing om bestaande schoolgebouwen (of te transformeren bestaand vastgoed) levensloopbestendig te maken niet gelijkgesteld is met vervangende nieuwbouw en ook niet gedekt wordt door de limitatieve lijsten van onderhoud- en aanpassingvoorzieningen. Voor veel voorzieningen zouden de schoolbesturen zelf op moeten draaien. Toch sprong de gemeente in het verleden regelmatig financieel bij, onder meer in het kader van de aangescherpte brandweereisen (Peters 2003b). In 2005 merkt een deskundige terecht op dat de scholenbouw gepolitiseerd is door de decentralisatieoperatie (Schraven, 2005). Het is voor een anonieme ambtenaar in Den Haag veel eenvoudiger om een aangevraagde voorziening af te wijzen dan voor een lokale wethouder. De gemeente houdt weliswaar een algemene zorgplicht, maar het is nog maar afwachten in hoeverre de gemeente bereid en in staat is om bij te springen bij een verbouwing van een school na de overheveling van het buitenonderhoud vanaf 1 januari 2015. 

In de huidige participatiemaatschappij ligt het niet voor de hand dat de normvergoedingen op korte termijn drastisch verhoogd zullen worden. Wel zijn duidelijke tendensen te bespeuren die de schoolbesturen in staat moeten stellen zelf initiatief te nemen bij de (ver)bouw van hun school binnen de krappe financiële kaders. Vrijwillige doordecentralisatie (Ecorys 2009) en aanmoediging van publiek-private samenwerking en geïntegreerde contracten (Schraven, Van Leent 2009; SCS 2011), schatkistbankieren (TK 2013-2014) en dan nu de overheveling van het buitenonderhoud, maakt het schoolbesturen mogelijk om geldstromen te bundelen en zodoende extra te investeren in de initiatieffase om voordelen in de beheerfase te behalen.

Renovatie

Verbouwende schoolbesturen lopen op tegen onduidelijkheden met betrekking tot de renovatie van hun school. Het begrip 'renovatie' wordt niet als zodanig genoemd in relevante regelgeving. In de praktijk worden uiteenlopende definities gegeven voor het begrip, variërend van groot onderhoud tot een structurele upgrade om het onderwijsgebouw levensloopbestendig te maken. Het betreft altijd bouwkundige ingrepen aan een bestaand gebouw. Dit betekent dat de renovatie van het onderwijsgebouw in ieder geval moet voldoen aan de relevante verbouwvoorschriften van het Bouwbesluit 2012. Het minimum prestatieniveau voor de meeste bouwkundige aspecten is ‘rechtens verkregen niveau’. De bekostiging van de renovatie is een lastiger verhaal. De WPO kent uitsluitend de huisvestingvoorzieningen onderhoud, aanpassing en (ver)nieuwbouw. Na de overheveling per 1 januari 2015 zijn onderhoud en aanpassingen voor rekening van de school; (ver)nieuwbouw is en blijft de verantwoordelijkheid van de gemeente. Bouwkundige ingrepen onder de noemer renovatie die kwalificeren als onderhoud of aanpassing zijn dus voor rekening van het schoolbestuur. 

Structurele upgrades (Cebeon 2012) zijn lastiger toe te rekenen. Staatssecretaris Dekker (2013) stelt terecht dat deze categorie een tussenvorm tussen onderhoud/aanpassing van het bestaande gebouw enerzijds en (ver)nieuwbouw anderzijds vormt. De gemeente heeft zelf geen baat bij een exploitatieverlagende upgrade (EIB 2013), maar zij heeft wel een algemene zorgplicht. Staatssecretaris Dekker (2013) stelt dat gemeente en schoolbestuur in onderling overleg afspraken moeten maken over verdeling van kosten. Er wordt ‘ruimte gelaten voor het gesprek op lokaal niveau’. Gemeenten kunnen een voorziening voor renovatie opnemen in de gemeentelijke verordening onderwijshuisvesting (Rekenkamer Vallei en Veluwerand 2011).

Fiscaliteit

Gemeenten maken graag gebruik van BTW-besparende constructies voor scholenbouw. De rechter heeft daar echter paal en perk aan gesteld (Ceelen 2013; Snoeren 2013). Hof Arnhem was van oordeel dat er sprake was van misbruik van recht met betrekking tot twee nieuw gebouwde scholen. Naar het oordeel van het hof had de belastinginspecteur aannemelijk gemaakt dat de gemeente het schoolmodel voor nieuwbouw had opgezet om een (substantieel) belastingvoordeel te verkrijgen. Twee verbouwde scholen konden wel door de beugel (Hof Arnhem, 2013).

Bij de verbouwingen werd door de gemeente met de desbetreffende onderwijsinstelling een bedrag voor de verbouwing afgesproken. Vervolgens besteedde de gemeente de werkzaamheden uit aan een onderaannemer waarvoor de gemeente een veel hoger bedrag betaalde. De gemeente liet ook twee schoolgebouwen bouwen. Daar gebeurde in wezen hetzelfde. De gemeente verkocht de scholen aan een nieuw opgerichte stichting voor een fractie (ca. een tiende deel) van de bouwkosten. Het bestuur van de stichting bestond uit twee leden van de verschillende schoolbesturen die tezamen een derde bestuurslid konden benoemen. De stichting verhuurde de schoolgebouwen aan de scholen en ontving daarbij de huur voor vijf jaar vooruit. De vooruitbetalingen waren iets hoger dan de verkoopprijzen van de scholen aan de stichting. De belastinginspecteur ging niet akkoord met de voormelde btw-besparende modellen en ging tot naheffing over van de aan de gemeente teruggegeven btw in verband met de bouw en verbouwing van de scholen.

Auteursrecht

Op veel oudere schoolgebouwen rust nog een volledig auteursrecht. Dat levert in de praktijk soms de nodige problemen op wanneer de oorspronkelijk architect zich verzet tegen de verbouwing of een exclusief recht op de verbouwopdracht claimt. Het auteursrecht is een recht ter bescherming van de goede naam van de architect en de integriteit van zijn ontwerp (Heeger 2014). Op grond van het auteursrecht kan de architect zich verzetten tegen aantasting van zijn goede naam en/of verminking van zijn ontwerp. Dit verzetrecht is niet absoluut, maar wordt begrenst door de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Een volledig auteursrecht is geen exclusief recht in de zin van de Europese aanbestedingsrichtlijnen dat het rechtvaardigt om de opdracht direct één op één aan de oorspronkelijk architect te gunnen. Wanneer een verbouwopgave speelt, is het verstandig om in een vroeg stadium in overleg te treden met de oorspronkelijk architect om diens goede naam en integriteit van diens ontwerp te borgen. Gaat de architect hier niet op in, dan wordt het voor hem juridisch gezien lastig om in een later stadium in redelijkheid een beroep te doen op zijn verzetsrecht. De gedragscode van de BNA schrijft voor dat architecten bij een verbouwing in overleg treden met de oorspronkelijk architect. Langs deze weg kan afstemming met het auteursrecht van de oorspronkelijk architect ook geborgd worden. 

Aanbestedingsrecht

Schoolbesturen klagen ook veelvuldig over de ingewikkelde aanbestedingsregels. Schoolbesturen ontberen doorgaans de (juridische) kennis en ervaring om een goede aanbesteding te organiseren. Al jaren klagen opdrachtnemers hierover. Het gaat dan om buitensporige financiële en ervaringseisen, een uitdijende papierwinkel, oplopende acquisitiekosten, vage programma’s van eisen, nauwelijks verzekerbare (wurg)contractvoorwaarden en sterke prijsdruk. Het ‘scholentrauma’ is een begrip: als architect kun je alleen een school(ver)bouwopdracht verwerven, wanneer je de afgelopen drie jaar minimaal drie vergelijkbare scholen hebt ontworpen. Natuurlijk moeten die scholen ook opgeleverd zijn en voorzien van een opdrachtgeververklaring (Van der Pol 2009b).

De klachten gaan vooral over opdrachten die Europees aanbesteed worden, maar bij de overige opdrachten is de situatie weinig beter. Daarom stelt de nieuwe Aanbestedingswet per 1 april 2013 strikte kaders om de proportionaliteit van alle offerteaanvragen door overheden en publiekrechtelijke instellingen te verbeteren. Schoolbesturen worden zo gedwongen hun opdrachtgeverschap te verbeteren. In het vervolg moeten zij kerncompetenties in plaats van identieke referentieprojecten beoordelen. Opdrachten gunnen op basis van de laagste prijs is in principe niet meer toegestaan en schoolbesturen moeten zich inzetten om de transactiekosten bij meervoudige offertetrajecten zo beperkt mogelijk te houden (Geertse 2015).


Scholenbouw stroomlijnen:

Tevens gepubliceerd in 'Scholenbouw stroomlijnen'. Download hier het rapport: Scholenbouw stroomlijnen. Knelpunten in de wet- en regelgeving bij de verbouw van basisscholen en kindcentra (pdf. 1,4 MB)

 

Literatuur:


-M. Arkesteijn, Y. Steijns, J. de Vries, Het schoolgebouw centraal. Over normkosten bij nieuwbouw van scholen voor het primair onderwijs, Delft: TU Delft, 2009
-M. Ashcroft, A. van Rijsewijk, R. Mans, ‘NEN-normen moeten openbaar en gratis zijn’, Cobouw 9 december 2014
-S. van Assen, J. van Campen, Q-FACTOR: ruimtelijke kwaliteitsteams in NL, Wageningen, 2014.
-Bureau Bartels, Aard en omvang van gelijkwaardige alternatieven in de kinderopvang. Eindrapport uitgebracht op verzoek van het Ministerie van SZW, Amersfoort: Bureau Bartels, 2014
-Z. Berdowski, A. Vennekens, Demarcatie proces- en productvoorschriften in het primair en voortgezet onderwijs: eindrapport. Zoetermeer: Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, 2008
-Infoblad Bouwbesluit 2012: gelijkwaardigheid, Den haag: Ministerie van BZK, 2012a
-Infoblad Bouwbesluit 2012: verbouw en functiewijziging, Den Haag, Ministerie van BZK 2012b
-Cebeon, Onderhoud buitenkant schoolgebouwen primair onderwijs. Inventarisatie gemeentelijke uitgaven, rapport, 27 juni 2012
-M.P.M. Ceelen, De toepassing van de herzieningsregeling op duurzame diensten. Tijd voor een duurzame oplossing! Masterthesis Fiscale Economie,Tilburg: School of Economics and Management/Tilburg University 2013
-J.M.J. Coenen et al., Monumentale schoolgebouwen: een evaluatieonderzoek naar problematiek en mogelijkheden, Delft: RMIT /TU Delft, 2008.
-S. van Dam, S. Komossa, L. Spoormans, De transformatie van het schoolgebouw, Bussum: THOTH, 2011
-S. Dekker, Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ‘Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in onderwijshuisvesting van gemeente naar school’, Tweede Kamer vergaderjaar 2012-2013, 33 663, nr. 3
-B.J. van Dorp, ‘Het appartementsrecht in de multifunctionele accommodatie in het onderwijs: het blijft helpen’, School en Wet, 2009 (6), 10-13
-Economisch Instituut voor Bouwnijverheid (M. van Elp, M.V. Zuidema), Bouwen voor het onderwijs. Perspectief voor de Nederlandse bouw, EIB Economisch Instituut voor de Bouw, augustus 2013
-Ecorys, Baas over eigen school. Onderzoek naar doordecentralisatie van onderwijshuisvesting in het voortgezet onderwijs, Rotterdam 2009
-A. Fuchs, Samen! Passende huisvesting voor passend onderwijs, Bussum 2012
-M. Geertse, ‘Opdrachtgeverschap – cocreatie, zelfregulering en ondersteuning in scholen(ver)bouw’, in: D. Broekhuizen (red.), Scholenbouwatlas. Verbouwen als opgave voor basisscholen en kindcentra, Rotterdam nai010 uitgevers 2015, 62-65
-P. Gramberg, M. van der Grinten, B. Fransen, J. de Jonge, Z. Berdowski, Scholen bouwen en beheren. Mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering onderwijshuisvesting, Utrecht: Oberon/Research voor Beleid/IOO/Stichting brede school Nederland, 2010
-H. Heeger, Verkenning problematiek auteursrecht architecten bij renovatie, Delft: OTB , 2014
-Hof Arnhem, Uitspraak van 15 januari 2013, publicatiedatum: 1 februari 2013, nrs. 11/00301 en 11/00302
-A. Hoop, ‘Aanvullende eisen brandveiligheid in conflict met de wetgeving’, Facility Management Magazine, 8 mei 2014.

-J. Huijzer, ‘Gelijkwaardigheid door een juridische bril (1)’, Bouwregels in de praktijk, 2013a (5), 16-19
-J. Huijzer, ‘Gelijkwaardigheid door een juridische bril (2)’, Bouwregels in de praktijk, 2013b(6), 24-27
-J.A. Keijser, ‘Relatie tussen recht op bekostiging en aanspraak op huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs’, School en Wet, 2010 (6), 11-15
-Meent, Y. van de Meent, ‘Scholenbouw dreigt stil te vallen’, Binnenlands Bestuur, 15 maart 2013.
-C.W. Noorlander, P.J.J. Zoontjens, ‘Bekostiging van scholen binnen her regulier primair en voortgezet onderwijs, deel I’, School en Wet, 2011 (2), 5-12
-C.W. Noorlander, P.J.J. Zoontjens, ‘Bekostiging van scholen binnen het regulier primair en voortgezet onderwijs, deel II’, School en Wet, 2011 (3), 6-21
-C.W. Noorlander, P.J.J. Zoontjens, ‘Gemeentelijke bekostiging: onderwijshuisvesting, deel III’, School en Wet, 2012 (1), 5-10
-M. van Overveld, P.J. van der Graaf, S. Eggink-Eilander en M.I. Berghuis, Praktijkboek Bouwbesluit, 2012, Den Haag: SDU, 2011
-F.J. Peters, ‘Onderhoud schoolgebouwen’, School en Wet, 2003a (8),
-F.J. Peters, ’Aanpassingen schoolgebouwen’, School en Wet, 2003b (9), 366-367
-L. van der Pol, A. Mol, D. Broekhuizen, Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie, Den Haag: Atelier Rijksbouwmeester, 2009a
-L. van der Pol (e.a.), Europa en de architecten. Stand van zaken in de discussie over Europese aanbestedingen van architectendiensten, Den Haag: Atelier Rijksbouwmeester, 2009b
-Redactie, ‘Verbouwen volgens het boekje kan niet’ (artikel 290), gepubliceerd op 12 januari 2012.,www.infomr.nl/artikel/290/.
-Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand, (Weg)wijs in onderwijshuisvesting. Een onderzoek naar de regelgeving voor onderwijshuisvesting in Barneveld, Barneveld, April 2011

-N. Ris, ‘Herbestemmen en het nieuwe Bouwbesluit’, Real Estate Magazine, 2012 (80), 23-25
-G. Ritsema, Kind-centra(al) in onderwijshuisvesting, Masterscriptie MSRE. Amsterdam: Amsterdam School of Real Estate, 2013
-J. Rodermond, G. Wallagh, A. van der Leun (red.), Geen meter te veel. Agenda scholenbouw,
Rotterdam: Stimuleringsfonds voor architectuur, 2009
-L.E. van de Sande, ‘Onderwijshuisvesting in beweging: een blik op doordecentralisatie en Publiek Private Samenwerking’, School en Wet, 2009 (1), 18-26
-S. Satter (red.), Regelingen onderwijshuisvesting 2014, Den Haag: SDU, 2013
-J.W. Schraven, ‘Het schoolgebouw in de steigers’, School en Wet, 2005 (5), 11-16
-J.W. Schraven, ‘Het Schoolgebouw in de verkoop’, School en Wet, 2008 (5), 17-21
-J.W. Schraven, M. van Leent, Schoolgebouw te huur. Handreiking voor nieuwe rolverdeling in onderwijshuisvesting, SCS 2009
-Servicecentrum Scholenbouw, Aanbestedingsvarianten onderwijshuisvesting: Handreiking voor de ontwikkeling van een aanbestedingsstrategie, Den Haag 2011
-A. Snoeren, BTW-vriendelijke schoolconstructies nader beschouwd, Masterscriptie Fiscale Economie. Tilburg: School of Economics and Management/Tilburg University, 2013
-D.B. Stadig, E.A. Minderhoud, ‘Herbestemming, regelgeving en gemeente’ (2), Tijdschrift voor Bouwrecht, 2014 (11), 1024-1033
-TK 2013-2014: Kamerstuk Tweede Kamer Staten-Generaal, Vergaderjaar 2013-2014. Vergaderstuk 33746 nr 3
-B.J.J. Teuben, M. Waldmann, A.C. Hordijk, ‘An Inventory of Municipal Real Estate. The case of The Netherlands’, Paper for Eres Conference 2007
-J. in ‘t Velt, Y. Hamdam, E. Barendregt, Een fris alternatief voor de huisvesting van kinderen, Rotterdam: Rebel group, 2010
-W.F.P Veldman, Y.W. To, ‘Verbouwen onder Bouwbesluit 2012’, Bouwwereld, 2013 (2), 44-46
-J.C. van de Water, ‘Het aanbestedingsrecht voor het onderwijs’, School en Wet, 2004 (6), 225-233